- M.b.t. medische diagnostiek. Het eerste doel in de diagnostiek is
het aanreiken van argumenten voor het bestaan van een cerebrale
aandoening, op basis van testgegevens. De neuropsycholoog wordt
benaderd, omdat de patiënt klachten heeft over zijn cognitieve
functioneren, hetgeen in principe op een aandoening kan wijzen.
Vier categorieën aandoeningen komen in de diagnostiek frequent aan de orde, namelijk dementeringen, ontwikkelingsachterstanden, toxische effecten en het (post-)whiplashsyndroom. - M.b.t. restverschijnselen. Nadat de arts de primaire diagnose
heeft gesteld, is het aan de neuropsycholoog om vast te stellen wat
de effecten van de neurologische aandoeningen op gedragsniveau zijn
en welke repercussies die hebben voor werkhervatting en het algemeen
dagelijks functioneren. Deze situatie doet zich voor bij een
veelheid van aandoeningen: contusio cerebri,
CVA, encephalitis, meningitis, cerebrale anoxie, extirpatie van een cerebrale tumor. - M.b.t. nevenverschijnselen. Veel neurologische aandoeningen kunnen gepaard gaan met mentale afwijkingen, zonder dat dit effect zich altijd voordoet.
- M.b.t. evaluatie van behandeling. Dit is het pre-post-onderzoek, dat wil zeggen voor en na een behandeling. Het voordeel van dit onderzoek is dat de patiënt ´zijn eigen controle is´ en men over het algemeen betrouwbare uitspraken over veranderingen kan doen.
- M.b.t. monitoring van verandering. Bij ziektebeelden die herstel dan wel progressie vertonen kan de neuropsycholoog zeer nuttig werk verrichten, omdat hij de middelen heeft om veranderingen met tests te objectiveren - veranderingen die de behandelaars zelf hoogstens kunnen schatten bij de poliklinische revisies van hun patiënten.
- M.b.t. indicatiestelling voor (cognitieve) revalidatie.
- M.b.t. advisering taakhervatting.
- M.b.t. persoonlijkheid. Vragen naar psychogene componenten en dergelijke is belangrijk, omdat de differentiële diagnose en de rol van organisch-cerebraal bepaalde afwijkingen in persoonlijkheid en sociaal gedrag alleen op basis van gedegen neuropsychologische kennis min of meer overzien kunnen worden.
Deze tekst is een bewerking uit: Deelman, Eling, De Haan,
Jennekens-Schinkel & Van Zomeren (1997): Klinische Neuropsychologie.
Boom, Amsterdam.
